Vernauwde bloedvaten: behandeling

Print 

U bent opgenomenin het UMCG omdat uw behandelend arts u heeft verwezen naar de afdeling Radiologie voor behandeling van een vernauwing in uw bloedvaten. Op de afdeling Radiologie doen radiologen en radiologisch laboranten verschillende soorten diagnostisch onderzoek. Diagnostisch onderzoek heeft tot doel vast te stellen wat de oorzaak is van uw klachten. Daarnaast verricht de afdeling ook een aantal behandelingen, waaronder het opheffen van vernauwingen in de bloedvaten. Meer informatie over röntgenonderzoek en het werk van de afdeling Radiologie vindt u via de link 'Radiologische technieken' onder aan deze pagina.

Hulpmiddelen bij het onderzoek

Een röntgenopname is een afbeelding van de binnenkant van het lichaam. Om deze afbeelding te maken gebruikt de radioloog een geringe hoeveelheid röntgenstraling. Daarnaast werkt hij bij dit onderzoek met een jodiumhoudend contrastmiddel. Dit is nodig om uw aderen goed zichtbaar te maken met röntgenstralen. Dit middel heeft soms bijwerkingen in de vorm van lichte overgevoeligheidsreacties zoals roodheid, jeuk of blaasjes. Deze kunnen zich overal op uw lichaam voordoen. U merkt dit direct na het toedienen van het contrastmiddel of de volgende dag. Meestal trekken de bijwerkingen na een paar dagen weer weg.

Zijn de bijwerkingen niet na een paar dagen verdwenen en vertrouwt u het niet, neem dan contact op met uw behandelend arts. Vertel hem dat u een radiologisch contrastmiddel ingespoten heeft gekregen. Het is van belang dat de afdeling Radiologie ook weet dat de bijwerkingen bij u niet na een paar dagen verdwijnen. Breng daarom de afdeling ook op de hoogte. U kunt hiervoor bellen met (050) 361 22 81. Ook is het verstandig het te melden wanneer er in de toekomst opnieuw een radiologisch onderzoek nodig is waarbij met een jodiumhoudend contrastmiddel wordt gewerkt.

Voorbereiding

Voor dit onderzoek is het nodig dat u nuchter bent. Dit betekent dat u vier uur voor het onderzoek niets mag eten, drinken en roken.

Astma, bronchitis en hooikoorts gaan vaak gepaard met een allergie voor jodiumhoudende contrastmiddelen. Als u last heeft van één van deze aandoeningen, vertel het de radiologisch laborant of arts vóór het onderzoek. Zij willen daarnaast weten of u overgevoelig bent voor medicijnen, jodiumhoudende contrastmiddelen of bepaald voedsel.

Voorbereidingen bij suikerziekte

U mag vier uur voor dit onderzoek niets meer eten of drinken. Het kan daarom wenselijk zijn dat u contact opneemt met uw behandelend arts voor een eventuele aanpassing van uw dieet en/of insulinedosis voor de dag van het onderzoek.

Voorbereidingen bij medicijngebruik

Als u medicijnen gebruikt hoeft u hier voor dit onderzoek niet mee te stoppen. U kunt ze gewoon innemen met een geringe hoeveelheid water of thee zonder melk of suiker. Gebruikt u antistollingmedicijnen (bijvoorbeeld Sintrom of Ascal), overleg dan met de arts die ze heeft voorgeschreven of u er voor het onderzoek mee kunt stoppen. Een controle van de stollingstijd van uw bloed is overigens altijd nodig, ongeacht of u tijdelijk kunt stoppen met uw antistollingsmedicijn. Deze controle vindt plaats bij het laboratorium van het Thoraxcentrum van het UMCG (Fonteinstraat 9) waar een laborant wat bloed van u afneemt om de stollingstijd te controleren. U wordt daar een uur voor het onderzoek verwacht. Als u bent opgenomen komt een laborant u op de afdeling bezoeken om wat bloed af te nemen.
De uitslag van deze controle kan betekenen dat het onderzoek niet door gaat. In die gevallen volgt overleg met uw arts.

Voorbereidingen bij zwangerschap en borstvoeding

Ongeboren kinderen zijn gevoelig voor röntgenstraling. Bent u zwanger, of denkt u zwanger te zijn, neem dan vóór de behandeling contact op met de afdeling Radiologie. U kunt hiervoor bellen met (050) 361 22 89. Soms wordt de behandeling in overleg met uw behandelend arts uitgesteld.
Uw lichaam neemt het jodiumhoudende contrastmiddel op. Het komt daardoor ook in uw moedermelk terecht. Het is daarom niet verstandig borstvoeding te geven tijdens de eerste 24 uur na het toedienen van het jodiumhoudend contrastmiddel.

De behandeling

U meldt zich bij de balie en neemt plaats in de wachtkamer. De radiologisch laborant haalt u op en brengt u naar de onderzoekskamer. U krijgt hier eerst uitleg over het verloop van het onderzoek.

Na de uitleg gaat u op de onderzoekstafel liggen. De behandeling begint met inbrengen van een katheter (dun slangetje) dat de radioloog gebruikt om het contrastmiddel in uw aderen in te spuiten. U krijgt deze katheter waarschijnlijk in uw lies. Er is een kleine kans dat dit niet lukt. In dat geval brengt de radioloog de katheter via uw arm in. Als dit bij u het geval is zal de radioloog u op dat moment uitleggen wat er gaat gebeuren. De tekst hieronder gaat er vanuit dat u de katheter in uw lies krijgt.

Afbeeding van een ballonkatheter

De radioloog en de radiologisch laborant brengen samen de katheter in. De radiologisch laborant scheert en ontsmet de huid in uw lies. Daarna krijgt u een verdovingsprik die even pijn kan doen. Vervolgens maakt de radioloog een kleine opening in uw huid en prikt de slagader aan met een naald. Ondanks de verdoving kan dit een drukkend gevoel in uw lies geven. Dit komt omdat de verdoving alleen de huid verdoofd en niet het onderliggende weefsel. De radioloog schuift nu de katheter door de naald in de slagader en brengt het einde van de katheter in de te behandelen ader. Dit merkt u nauwelijks. Ligt de katheter op de goede plaats dan spuit de radioloog het contrastmiddel in. Het contrastmiddel veroorzaakt na het inspuiten een warm gevoel in uw hoofd, keel en buik. Dit gaat na een á twee minuten vanzelf weer over. Na het inspuiten maakt de radioloog rontgenafbeeldingen om te controleren of de katheter op de juiste plaats ligt.

Na het inspuiten van het contrastmiddel vervangt de radioloog de katheter. Aan de nieuwe katheter zit een klein ballonetje waarmee hij uw vernauwde bloedvat wijder maakt. Als uit de zojuist genomen controleafbeeldingen blijkt dat de katheter op de juiste plaats ligt blaast de radioloog het ballontje op waardoor de vernauwing zich opent. Dit voelt u nauwelijks. De radioloog neemt nu weer een aantal röntgenafbeeldingen om het resultaat te controleren. Als het resultaat nog niet voldoende is zal hij de handeling herhalen tot de vernauwing (grotendeels) verdwenen is.

Afbeelding van stents

Het lukt het niet altijd om een vernauwd bloedvat blijvend wijder te maken met het ballonetje. In die gevallen plaatst de radioloog een stent. Een stent is een soort gaasbuisje van metaaldraad met aan de binnenkant een vochtdichte voering. Als de eerder ingebrachte katheter goed ligt, vervangt de radioloog deze door een tweede katheter waarmee hij de stent naar de vernauwing in uw slagader brengt. Als de stent daar, is schuift de radioloog hem uit de katheter. Vervolgens maakt hij controleafbeeldingen om na te gaan of de stent inderdaad op de juiste plaats ligt. Hiervoor krijgt u op dat moment nauwkeurige uitleg over hoe u moet liggen om een goede röntgenafbeelding mogelijk te maken.

Soms blijkt tijdens de behandeling dat het nodig is nog andere bloedvaten in beeld te brengen en zal de radioloog de katheter verwisselen. Daar voelt u weinig van. Wel is het nodig dat u een lange tijd stil blijft liggen. De behandeling duurt hierdoor alles bij elkaar ongeveer twee uur.

Als de behandeling klaar is verwijdert de radioloog de katheter. De radioloog en de laborant verbinden vervolgens het wondje. De één drukt het ontstane gaatje in de lies tien á vijftien minuten dicht terwijl de ander het verband aanlegt. Dit verband blijft 24 uur zitten.

Na de behandeling

Na de behandeling gaat u terug naar de afdeling waar u bent opgenomen. U kunt nu weer normaal eten en drinken. Wel zult u na het onderzoek vaker moeten plassen. Het is daarom verstandig extra te drinken om het vochtverlies aan te vullen.

Het is mogelijk dat u op de plaats waar de katheter is ingebracht een blauwe plek krijgt. Deze is onschuldig en trekt vanzelf weer weg.

Om nabloeden van uw lies te voorkomen is het van belang dat u het eerste uur na het onderzoek op uw rug blijft liggen. Het is belangrijk dat de lies waarin is geprikt zoveel mogelijk gestrekt blijft. U blijft daarom nog zes uur in bed, tenzij de radioloog u iets anders heeft verteld. Het is verstandig het ook na die zes uur rustig aan te doen. Na 24 uur mag het drukverband eraf. Mocht het wondje gaan bloeden, waarschuw dan de verpleegkundige.

In overleg met de zaalarts kunt u weer naar huis. De verpleegkundige vertelt u hoe laat u precies weg mag, zodat u een afspraak kunt maken met degene die u op komt halen.

Uitslag

Uw behandelend arts vertelt u of de behandeling het gewenste resultaat heeft gehad.

Vragen

Heeft u vóór, tijdens of na het onderzoek nog vragen, dan kunt deze gerust stellen. U kunt ook bellen tussen 8.00 en 9.30 uur met nummer (050) 361 29 27.

Voor informatie over patiëntenverenigingen, andere gezondheidszorginstellingen, de gang van zaken in het UMCG, opmerkingen en klachten, kunt u contact opnemen met de medewerkers van Patiënteninformatie. Informatie hierover vindt u via de link onder aan deze pagina.

U kunt de website van het UMCG door uw PC laten voorlezen. Klik hiervoor op de knop rechts boven in het scherm.