Geheugenproblemen

Print 

U heeft de indruk dat uw geheugen (of het geheugen van uw partner/ouder/familielid) minder goed werkt dan vroeger. U heeft meer moeite om dingen te onthouden. Bijvoorbeeld namen, gezichten en telefoonnummers. Ook kan het zijn dat u niet meer weet hoe iets werkt, zoals de afstandsbediening van uw tv. Een andere mogelijkheid is dat u niet meer op woorden kunt komen. Uw huisarts kan u dan voor verder onderzoek doorverwijzen het Universitair Centrum voor Ouderengeneeskunde (UCO).

Het onderzoek

Bij het UCO heeft u eerst een gesprek met de internist ouderengeneeskunde. De internist ouderengeneeskunde is een arts die gespecialiseerd is in de medische zorg voor ouderen. Hij vraagt u eerst naar uw algemene gezondheidstoestand en doet een algemeen lichamelijk onderzoek..Hierbij wordt bloed afgenomen en meestal wordt er ook een röntgenfoto van uw hart en longen gemaakt. Dit gebeurt om aandoeningen op te sporen die uw geheugenstoornis kunnen veroorzaken. Hierna onderzoekt de arts het functioneren van uw geheugen. Tijdens dit onderzoek vraagt hij u om dingen te herhalen die hij eerder heeft uitgelegd. Ook kan hij u vragen een aantal kleine opdrachten uit te voeren.

Meteen na het gesprek met de arts heeft u een afspraak met een verpleegkundige. Deze onderzoekt hoe u omgaat met heel praktische zaken als aankleden en boodschappen doen. Ook doet de verpleegkundige een korte geheugentest met u. Met deze test kan vastgesteld worden of u naast geheugenstoornissen ook andere klachten heeft die op dementie wijzen.

Soms bestaat er na deze onderzoeken nog steeds onduidelijkheid. Er is dan aanvullend onderzoek nodig. Dit zal zoveel mogelijk op dezelfde dag plaatsvinden. Het aanvullend onderzoek kan bestaan uit een uitgebreid neuropsychologisch onderzoek en/of een speciale foto(scan) van uw hersenen. Voor het uitgebreid neuropsychologisch onderzoek wordt een afspraak gemaakt bij een neuropsycholoog. Het neuropsychologisch onderzoek duurt twee tot tweeënhalf uur. Tijdens dit onderzoek doet de neuropsycholoog allerlei testen met u. Bijvoorbeeld het tekenen van figuurtjes, het maken van rekensommen en een soort puzzel.
Mogelijk wordt er ook een soort foto van uw hersenen gemaakt. Dit kan een CT-scan, een MRI-scan of een PET-scan zijn. Meer informatie over de verschillende scans vindt u via de link onder aan deze pagina.

Uitslag van het onderzoek

Voor de uitslagen van het onderzoek komt u op een andere dag terug bij het UCO. Tijdens het gesprek zal de arts u vertellen welke behandeling eventueel mogelijk is of dat eerst verder onderzoek nodig is. Uw verwijzer, in de regel uw huisarts, ontvangt schriftelijk bericht over het onderzoek, het vervolg en eventuele behandelmogelijkheden.

Het onderzoek van uw geheugen kan één van de volgende uitslagen hebben:

  • Uw geheugen is niet slechter dan u op grond van uw leeftijd mag verwachten.
  • Uw geheugenklachten zijn het gevolg van een lichamelijke aandoening. De geheugenstoornissen kunnen bijvoorbeeld één van de symptomen zijn van een schildklierziekte.
  • U heeft een zogenaamde Mild Cognitive Impairment (MCI). Dit betekent dat uw geheugen minder goed werkt dan bij uw leeftijdgenoten.
  • U heeft dementie.

Er is overigens pas sprake van dementie als u naast geheugenstoornissen ook problemen heeft met andere functies die nauw verwant zijn aan uw geheugen. Deze klachten mogen bovendien geen andere oorzaak hebben. Ze mogen bijvoorbeeld geen bijwerking zijn van een medicijn dat u gebruikt. U heeft dementie als u twee van de volgende vier klachten heeft:

  • U heeft geheugenstoornissen.
  • U heeft moeite met het vinden van woorden (afasie), met het doen van dingen zoals wassen en aankleden (apraxie) of met het herkennen van personen of dingen (agnosie). U herkent bijvoorbeeld uw buurman niet meer.
  • U bent trager in uw denken en handelen.
  • U weet niet meer hoe bepaalde dingen werken zoals de afstandbediening van de tv of het koffiezetapparaat. Ook kan het zijn dat u moeite heeft met autorijden.

Behandeling

Als uw geheugenklachten het gevolg zijn van een lichamelijke aandoening dan wordt de onderliggende ziekte behandeld (bijvoorbeeld als u een schildklierziekte heeft).

Een zogenaamde Mild Cognitive Impairment (MCI, zie ook hierboven) is niet te genezen. Er zijn wel trucs te leren om beter met uw geheugenklachten om te gaan.

Ook dementie is niet te genezen. Meestal wordt de ziekte in de loop van de tijd steeds erger. Met de juiste verzorging is het wel mogelijk de gevolgen van dementie op te vangen. De verpleegkundige schat daarom in welke verzorging u nu en in de toekomst nodig heeft. Hij stelt hierover een advies op voor uw huisarts. Uw huisarts vraagt vervolgens de benodigde zorg aan.

Soms is het mogelijk om de aandoening te vertragen met medicijnen. Deze behandeling wordt niet vaak toegepast. Onderzoek heeft namelijk aangetoond dat slechts één op twintig patiënten er baat bij heeft. Tegelijkertijd hebben acht van de twintig mensen last van de bijwerkingen van de medicijnen. Deze bijwerkingen zijn niet erg, maar wel vervelend. Vaak gaat het om misselijkheid en verminderde eetlust. U bepaalt samen met uw arts of de voordelen van de medicijnen voor u opwegen tegen de nadelen.

Na afloop

Tot slot biedt het UCO een nazorgtraject. Dit is vooral bedoeld voor degene die u verzorgt. Uw verzorger krijgt tijdens dit traject praktische tips over de omgang met uw aandoening en kan emotionele ondersteuning krijgen.

U kunt de website van het UMCG door uw PC laten voorlezen. Klik hiervoor op de knop rechts boven in het scherm.